Orgaandonatie is het – bij leven of na overlijden – geven van een orgaan aan een ander persoon, voor wie de gift veelal levensreddend is.
In Nederland wachten ruim 1.300 ernstig zieke mensen op een donororgaan. In drie van de vier gevallen gaat het om nierpatiënten die wachten op een donornier. Het aantal niertransplantaties met een nier van een
levende donor is de laatste jaren fors gestegen. Die toename is mede het gevolg van het tekort van donornieren die ná overlijden beschikbaar komen: de zogeheten ‘postmortale donornieren’. Op deze pagina geven we informatie over deze ‘klassieke vorm’ van orgaandonatie. Veel informatie vindt u in de brochure 'Zo zit het', die u op de
NIGZ-website kunt downloaden.
Postmortale orgaandonatie
Het afstaan van organen na overlijden kan alleen onder speciale omstandigheden en gebeurt uiteraard alleen als er toestemming voor is. Orgaandonatie is eigenlijk alleen mogelijk na overlijden op een intensive care afdeling van een ziekenhuis. Het gaat meestal om mensen die zijn overleden aan een hersenbloeding of verkeersongeval met hersenletsel. De kans dat iemand na overlijden daadwerkelijk orgaandonor kan zijn is dus uiterst klein: in Nederland zijn er jaarlijks ongeveer 200 mensen die na overlijden orgaandonor worden.
Wat kun je doneren?
Organen die u (na overlijden) kunt doneren zijn het hart, de lever, de longen, de nieren, de dunne darm, en de alvleesklier. Weefsels die u (na overlijden) kunt doneren zijn hoornvliezen, hartkleppen, huid, bot- en peesweefsel, kraakbeen en bloedvaten.
Nadat iemand is overleden bepaalt een arts of organen geschikt zijn voor transplantatie. Een orgaan dat niet geschikt is voor transplantatie wordt niet uitgenomen. Ziekte en medicijngebruik hoeven geen belemmering te zijn voor donatie. Ook leeftijd is geen belangrijke factor. Het gaat bij die beoordeling vooral om zaken als moment, plaats en oorzaak van overlijden en de lichaamsconditie en kwaliteit van de organen.
In welke situaties kun je donor zijn?
Organen worden alleen uitgenomen wanneer er
toestemming voor is en nadat de arts volgens een strikte procedure de hersendood heeft vastgesteld. Dit gebeurt op de intensive care van een ziekenhuis en het gaat vaak om mensen die overlijden na een herseninfarct of verkeersongeval.
Van hersendood is sprake als de hersenen en hersenstam hun functies volledig en onherstelbaar hebben verloren. Iemand die hersendood is kan ook niet meer zelfstandig ademhalen. Nadat hersendood is vastgesteld blijft de overledene vaak nog enige tijd verbonden met de beademingsmachine. Zo krijgen de organen toch zuurstof en blijven geschikt voor transplantatie. Het hart blijft dan ook kloppen. Voor nabestaanden is dit een lastige situatie: een dierbare is overleden, maar lijkt nog te ademen. In werkelijkheid is het helaas de machine die de ademhaling (en hartslag) in stand houdt om de donatieprocedure zorgvuldig te kunnen doorlopen.
Als iemand in het ziekenhuis overlijdt aan een hartstilstand is de situatie wat anders. Het bloed wordt niet meer rond gepompt en daardoor vallen alle organen uit. Ook dan moet uiteraard eerst hersendood worden vastgesteld voordat er sprake kan zijn van een donatie. In de tussentijd worden nieren, longen of lever geschikt gehouden voor donatie door spoeling.
Orgaandonatie in de praktijk
Of iemand na overlijden daadwerkelijk organen kan afstaan voor transplantatie is afhankelijk van heel veel factoren. In het voorgaande zijn diverse aspecten rondom orgaandonatie besproken die daar een rol bij spelen. In de toelichting
'Orgaandonatie in de praktijk' kunt u in zeer beknopte vorm lezen welke stappen in de praktijk aan de orde komen. Wilt u meer weten dan raden we u aan de uitgebreide brochure ‘Zo zit het’ te lezen, die u op de
NIGZ-website kunt downloaden.